Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
3 maart 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van de verdachte wegens overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het cassatieberoep werd ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof, die een middel van cassatie had voorgesteld.
De Hoge Raad heeft het middel beoordeeld en geoordeeld dat het beroep niet kan slagen op de gronden zoals vermeld in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2015:434). Dit betekent dat de Hoge Raad het oordeel van het Hof bevestigt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in deze vervolging.
Het arrest werd gewezen door de Strafkamer van de Hoge Raad op 3 maart 2015, waarbij vijf raadsheren, onder voorzitterschap van de vice-president, het arrest hebben uitgesproken. De conclusie van de Advocaat-Generaal A.E. Harteveld tot verwerping van het beroep werd gevolgd.
Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het alcoholslotprogramma zoals bedoeld in artikel 8 WVW Pro 1994 en benadrukt de grenzen aan de vervolgingsbevoegdheid van het Openbaar Ministerie in dit kader.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging wegens overtreding van artikel 8 WVW 1994.