Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel
4.Beslissing
17 november 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die op 4 oktober 2012 op de openbare weg in Rotterdam een joint rookte, wat volgens artikel 3.3.4 van de APV Rotterdam 2008 strafbaar is gesteld. Het hof had geoordeeld dat deze APV-bepaling verbindend is en niet in strijd met de Opiumwet, die het gebruik van drugs niet strafbaar stelt.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat de gemeenteraad op grond van de Gemeentewet bevoegd is aanvullende verordeningen te maken ter handhaving van de openbare orde, waaronder het verbod op openlijk drugsgebruik op openbare plaatsen. De Opiumwet richt zich primair op de bescherming van de volksgezondheid en stelt het gebruik van middelen niet strafbaar, wat niet in de weg staat aan de verbindendheid van het blowverbod in de APV.
De Hoge Raad wijst ook op eerdere jurisprudentie en de toelichting bij de APV die het verbod op openlijk drugsgebruik motiveert vanuit het oogpunt van openbare orde en gevoelens van onbehagen bij het publiek. Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het beroep van de Advocaat-Generaal bij het Hof wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het blowverbod in de APV Rotterdam blijft verbindend.