Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
13 oktober 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een bedrag van € 30.000,-, dat betrokkene nog over had van een geldlening van zijn grootvader, in mindering gebracht moest worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel (wvv). Het hof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat dit bedrag niet in mindering behoorde te worden gebracht, omdat betrokkene in de periode waarin het wvv werd verkregen ook uitgaven had gedaan die niet in de schatting waren meegenomen en die ten minste € 30.000,- zouden bedragen.
De Hoge Raad oordeelde dat deze motivering niet zonder meer begrijpelijk was. Het hof had onvoldoende toegelicht op welke gronden het aannam dat betrokkene daadwerkelijk ten minste € 30.000,- aan uitgaven had gedaan bovenop de reeds vastgestelde uitgaven die niet konden worden betrokken vanwege gebrek aan bewijs dat deze in de relevante periode waren gedaan.
Het arrest bevatte een uitgebreide weergave van de feiten en het bewijs, waaronder kasopstellingen, bankafschriften, contante stortingen, aangetroffen geld, en overige contante uitgaven. Het hof had het wvv geschat op € 79.053,18, waarbij verschillende posten waren meegenomen en andere niet, zoals dure merkkleding en reizen waarvan de financiering onduidelijk was.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep, met de opdracht om de motivering omtrent de in mindering te brengen bedragen nader te onderbouwen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.