Belanghebbende betaalde op 3 juni 2010 BPM op aangifte en maakte op 27 april 2012 bezwaar tegen dit bedrag. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was omdat geen besluit in de zin van de Awb ten grondslag lag en er geen rechtsmiddelverwijzing verplicht was.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of belanghebbende redelijkerwijs wist dat bezwaar binnen zes weken moest worden gemaakt, en dat de verwijzing in het aangiftebiljet naar de toelichting op zich niet uitsluit dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kan zijn. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte aannam dat belanghebbende tijdig is gehoord, omdat het hoorgesprek op 4 mei 2012 niet betrekking had op het bezwaar.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt hij de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep.