Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De bestreden uitspraak
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor het niet meewerken aan een ademonderzoek op 12 september 2012 en kreeg een geldboete en ontzegging van rijbevoegdheid opgelegd. In cassatie klaagde de verdachte over dubbele vervolging omdat naast de strafvervolging ook de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma (asp) was opgelegd voor hetzelfde feit.
De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2015:1819) waarin is vastgesteld dat strafvervolging niet is toegestaan indien de verdachte reeds onherroepelijk is verplicht tot deelname aan het asp voor hetzelfde feit. De Hoge Raad benadrukt dat in deze zaak de raadsman van verdachte de gelegenheid moet krijgen om zijn stelling van dubbele vervolging te staven met betrouwbare documenten, zoals het besluit van het CBR.
De Hoge Raad wijst erop dat deze regeling pas recent duidelijk is geworden en dat in zaken die voor 3 maart 2015 zijn behandeld, zoals deze, de verdachte alsnog de mogelijkheid moet krijgen om bewijs te leveren. De zaak wordt daarom terugverwezen naar het hof en verdere beslissing wordt aangehouden totdat de stukken zijn ingediend.
Uitkomst: De Hoge Raad houdt de zaak aan en geeft de raadsman van verdachte de gelegenheid om bewijs te leveren voor de stelling van dubbele vervolging.