Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
1 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van het vervoeren en verkopen van cocaïne en heroïne. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder politieprocessen-verbaal, getuigenverklaringen, en forensisch onderzoek van de drugs en telefoons.
De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs voor medeplegen van het vervoeren van de drugs voldoende is, gezien de aanwezigheid van drugs in de auto, de gezamenlijke aanwezigheid van verdachte en medeverdachte, en de omstandigheden rondom de aanhouding. De wetenschap van de verdachte omtrent de drugs in de auto werd door het hof terecht aangenomen.
Echter, ten aanzien van het medeplegen van de verkoop van de verdovende middelen faalt het bewijs. De bewijsmiddelen omtrent de verkoop van cocaïne zijn onvoldoende en voor de verkoop van heroïne blijkt alleen dat verdachte als chauffeur optrad, wat doorgaans medeplichtigheid betreft. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit als medeplegen moet worden aangemerkt.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot vernietiging en terugwijzing wordt gevolgd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen van verkoop.