Belanghebbende, geboren in 1931, had in 2009 haar gezondheidstoestand zien verslechteren en besloot tot aanschaf van een mantelzorgwoning (zorg-unit) in de tuin van haar mantelzorger om opname in een verzorgings- of verpleeghuis te voorkomen. De kosten van deze mantelzorgwoning bedroegen circa €184.258,71 inclusief BTW. De gemeente verstrekte een financiële tegemoetkoming voor woningaanpassingen.
Belanghebbende vorderde in hoger beroep aftrek van deze kosten als specifieke zorgkosten op grond van artikel 6.17 Wet IB 2001. Het hof wees dit af, maar liet een deel van de kosten toe op grond van een meer subsidiaire stelling. Belanghebbende stelde cassatie in tegen de afwijzing van haar primaire en subsidiaire standpunten.
De Hoge Raad bevestigde dat een woning, ook een mantelzorgwoning, in haar aard voorziet in huisvesting en dat de kosten daarvan niet kunnen worden gerekend tot uitgaven wegens ziekte of invaliditeit voor hulpmiddelen. De mantelzorgwoning wordt niet gezien als een hulpmiddel dat een bijzondere hoedanigheid bezit of een lichaamsfunctie vervangt. Daarom zijn de kosten niet aftrekbaar als specifieke zorgkosten.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.