ECLI:NL:HR:2001:AB1297
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen aftrek voor pulsors als hulpmiddelen bij inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 50.811. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Het Hof Arnhem vernietigde deze uitspraak en verlaagde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 49.136, omdat het oordeelde dat de door belanghebbende aangeschafte pulsors als hulpmiddelen konden worden beschouwd.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het causaliteitscriterium dat het Hof hanteerde onvoldoende is voor het aanmerken van middelen als hulpmiddelen volgens artikel 46, lid 3, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het middel moet een bijzondere hoedanigheid bezitten, uitsluitend gebruikt worden door zieke of invalide personen, of een gestoorde elementaire lichaamsfunctie kunnen overnemen.
De pulsors bleken volgens de stukken niet uitsluitend voor zieke of invalide personen bestemd en konden ook niet de gestoorde lichaamsfunctie overnemen. Zij zijn bedoeld voor bescherming tegen negatieve energie en pijnbestrijding en worden ook door gezonde personen gebruikt. Daarom zijn zij niet als hulpmiddelen aan te merken. Er waren ook geen feiten die duidden op andere uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit.
De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en bevestigde de uitspraak van de Inspecteur. Er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 1996 omdat pulsors niet als hulpmiddelen worden aangemerkt.