Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2015:1753

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2015
Publicatiedatum
26 juni 2015
Zaaknummer
15/01500
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet BopzArt. 21 Wet BopzArt. 27 Wet BopzArt. 29 lid 2 Wet BopzArt. 29 lid 5 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging voortzetting inbewaringstelling wegens ontbreken niet-behandelend psychiateronderzoek

Betrokkene werd op 18 december 2014 inbewaring gesteld door de burgemeester van Den Haag en opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De officier van justitie verzocht op 22 december 2014 de rechtbank om machtiging tot voortzetting van deze inbewaringstelling, met een geneeskundige verklaring opgesteld door een arts in opleiding tot specialist (AIOS). Tijdens de mondelinge behandeling op 30 december 2014 bevestigde de behandelend psychiater de inhoud van deze verklaring.

De rechtbank verleende de machtiging ondanks dat de verklaring niet was opgesteld door een niet-behandelend psychiater, zoals vereist volgens art. 5 lid 1 EVRM Pro en art. 27 Wet Pro Bopz. Betrokkene stelde cassatieberoep in met het verweer dat deze essentiële waarborg was geschonden.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank het vereiste van een verklaring van een niet-behandelend psychiater heeft miskend, aangezien de bevestigende psychiater ook de behandelend psychiater was. Dit vormt een schending van het grondrecht op vrijheid en recht op een eerlijk proces. Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot voortzetting van inbewaringstelling wegens ontbreken van een verklaring van een niet-behandelend psychiater en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Uitspraak

26 juni 2015
Eerste Kamer
15/01500
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
OFFICIER VAN JUSTITIE VAN DE RECHTBANK DEN HAAG,
zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/479726/FA RK 14/010034 van de rechtbank Den Haag van 30 december 2014.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 18 december 2014 heeft de (waarnemend) burgemeester van Den Haag op de voet van art. 20 Wet Pro Bopz last gegeven tot inbewaringstelling van betrokkene.
(ii) Betrokkene is vervolgens opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.
(iii) Op 22 december 2014 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen. Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd, op 18 december 2014 opgemaakt en ondertekend door de arts in opleiding tot specialist (AIOS) [A].
(iv) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 30 december 2014. Zij heeft betrokkene en haar advocaat gehoord alsmede de behandelend psychiater Slagter.
3.2
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend. Zij heeft het namens betrokkene gevoerde verweer dat de geneeskundige verklaring niet aan de eisen voldoet omdat deze is opgemaakt en ondertekend door een AIOS en niet door een psychiater, verworpen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
Betrokkene is op 18 december 2014 om 18.00 uur onderzocht door de AIOS en op 19 december 2014 tussen 10.00 en 11.00 uur door de bij de mondelinge behandeling aanwezige psychiater. Deze heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de inhoud van de geneeskundige verklaring van de AIOS bevestigt. De rechtbank is van oordeel dat het aanvankelijke gebrek (geneeskundige verklaring door AIOS) door de aanvullende verklaring van de psychiater is verholpen.
3.3
Onderdeel I klaagt dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM, omdat zij de verzochte machtiging heeft verleend terwijl niet is voldaan aan het in die bepaling neergelegde vereiste dat betrokkene is onderzocht door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
3.4
Het beroep is gericht tegen een beschikking op een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Pro Bopz. Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz staat tegen deze beschikking geen gewoon rechtsmiddel open.
Onderdeel I klaagt evenwel over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald – te weten: de waarborg dat betrokkene is onderzocht door een niet bij de behandeling betrokken psychiater – zodat grond bestaat voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz. Betrokkene is derhalve ontvankelijk in haar cassatieberoep (vgl. HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375, NJ 2008/607, en HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2985, NJ 2014/472).
3.5.1
Bij een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling dient ingevolge art. 27 lid 2 Wet Pro Bopz een geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 21 Wet Pro Bopz te worden overgelegd. In een geval waarin de inbewaringstelling is gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, brengt de bepaling van art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM mee dat de rechter, onverminderd het bepaalde in art. 29 lid 2 Wet Pro Bopz, een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke – dan wel ter zitting mondeling afgelegde en in het proces-verbaal van de zitting te vermelden – verklaring van een niet-behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht (HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375, NJ 2008/607).
3.5.2
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de psychiater Slagter, die betrokkene na de inbewaringstelling heeft onderzocht, de behandelend psychiater van betrokkene is. De rechtbank heeft derhalve het hiervoor in 3.5.1 weergegeven vereiste miskend. Het onderdeel slaagt dus.
3.6
Onderdeel II behoeft geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 december 2014;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
26 juni 2015.