Uitspraak
voorheen Avis Autoverhuur B.V.,
gevestigd te Almere,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
26 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de aansprakelijkheid van de werkgever Avis Budget Autoverhuur centraal, met betrekking tot de zorgplicht zoals neergelegd in artikel 7:658 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De werknemer had een procedure gevoerd tegen de werkgever wegens vermeende tekortkomingen in de instructies die de werkgever had gegeven.
De zaak werd eerst behandeld door de kantonrechter te Utrecht, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 februari 2014 een arrest wees. Tegen dit arrest stelde Avis beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De werknemer was in cassatie niet verschenen, terwijl Avis werd vertegenwoordigd door haar advocaat.
De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen aanleiding gaven tot cassatie, mede omdat deze geen rechtsvragen van belang voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling betroffen.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de werkgeversaansprakelijkheid en de zorgplicht van de werkgever bij het geven van instructies aan werknemers. Tevens veroordeelde de Hoge Raad Avis in de kosten van het cassatiegeding, zij het begroot op nihil aan de zijde van de werknemer.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Avis Budget Autoverhuur wordt verworpen en de werkgeversaansprakelijkheid bevestigd.