Art. 28 Wet WOZArt. 26a lid 2 AWRArt. 22 Wet WOZArt. 30 lid 1 Wet WOZ
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt recht echtgenoot op medebelanghebbendebeschikking WOZ-waarde woning
In deze zaak stond centraal of de echtgenoot van de geregistreerde eigenaar van een woning aanspraak kan maken op een medebelanghebbendebeschikking op grond van artikel 28 WetPro WOZ. De woning stond op naam van de echtgenoot, maar belanghebbende, gehuwd in gemeenschap van goederen, verzocht om een medebelanghebbendebeschikking voor het jaar 2012.
De heffingsambtenaar weigerde dit verzoek, waarna belanghebbende bezwaar maakte. De Rechtbank Gelderland oordeelde dat belanghebbende een fiscaal belang heeft bij de vastgestelde WOZ-waarde, omdat deze waarde van invloed is op de heffing van onroerendezaakbelasting en waterschapsbelasting. De Rechtbank gaf daarom aan dat een medebelanghebbendebeschikking afgegeven moet worden.
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad bevestigde echter het oordeel van de Rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De Hoge Raad benadrukte dat het niet vereist is dat de medebelanghebbende niet op de hoogte is van de beschikking aan de echtgenoot. Het fiscaal belang van de echtgenoot rechtvaardigt de afgifte van een medebelanghebbendebeschikking.
De Hoge Raad veroordeelde het College in de proceskosten en bepaalde dat de heffingsambtenaar de gevraagde beschikking moet afgeven.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van het College wordt ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar dient de medebelanghebbendebeschikking af te geven.
Uitspraak
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 14/02230
19 juni 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn(hierna: het College) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderlandvan 20 maart 2014, nr. AWB 13/4535 betreffende de ten aanzien van [X]te [Z ](hierna: belanghebbende) gegeven beschikking op een verzoek als bedoeld in artikel 28 vanPro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) voor het jaar 2012 betreffende de onroerende zaak [a-straat] te [Z ]. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
Het College heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 31 maart 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2.Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende en haar echtgenoot zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Zij wonen samen in de echtelijke woning te [Z ] (hierna: de woning). De woning staat als eigendom geregistreerd op naam van de echtgenoot.
2.1.2.
Bij beschikking van 29 februari 2012 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning op de voet van artikel 22 WetPro WOZ naar de waardepeildatum 1 januari 2011 voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld op € 259.000. De beschikking is bekendgemaakt aan de echtgenoot van belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft tegen deze beschikking geen bezwaar gemaakt.
2.1.3.
Bij brief van 2 maart 2013 heeft de gemachtigde van belanghebbende de heffingsambtenaar verzocht om met betrekking tot de woning voor het jaar 2012 een ten name van belanghebbende gestelde beschikking als bedoeld in artikel 28 WetPro WOZ (hierna: medebelanghebbendebeschikking) af te geven.
2.1.4.
De heffingsambtenaar heeft dit verzoek bij beschikking van 13 maart 2013 afgewezen.
2.2.
Voor de Rechtbank was in geschil of aan belanghebbende een medebelanghebbendebeschikking had moeten worden afgegeven. De Rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Tegen dit oordeel richten zich de middelen.
2.3.
Bij de behandeling van de middelen wordt het volgende vooropgesteld. Voor afgifte van een medebelanghebbendebeschikking is onder meer vereist dat de aanvrager van die beschikking aannemelijk maakt met betrekking tot de heffing van belasting te zijnen aanzien belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak. Van een dergelijk fiscaal belang is sprake indien de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet WOZ voor het desbetreffende jaar van invloed is op enige van de aanvrager te heffen belasting (vgl. HR 11 april 2014, nr. 13/04507, ECLI:NL:HR:2014:835, BNB 2014/195).
2.4.
In het onderhavige geval heeft de Rechtbank geoordeeld dat sprake is van een fiscaal belang als hiervoor in 2.3 bedoeld. Daarbij is de Rechtbank ervan uitgegaan dat belanghebbende met betrekking tot de heffing van onroerendezaakbelasting en waterschapsbelasting te harer aanzien belang heeft bij de vastgestelde waarde. Dit oordeel, geeft, gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel faalt dan ook.
2.5.
Doordat in artikel 30, lid 1, Wet WOZ is bepaald dat artikel 26a, lid 2, AWR van overeenkomstige toepassing is met betrekking tot de waardebepaling en waardevaststelling ingevolge de hoofdstukken III en IV van de Wet WOZ, kan onder omstandigheden de echtgenoot van degene tot wie de waardebeschikking is gericht zelf bezwaar maken tegen die beschikking. Deze mogelijkheid laat onverlet dat die echtgenoot een fiscaal belang kan hebben in de hiervoor in 2.3 bedoelde zin. Degene die een dergelijk belang heeft kan volgens artikel 28 WetPro WOZ aanspraak maken op een te zijnen aanzien te nemen medebelanghebbendebeschikking. Anders dan het middel betoogt, geldt hierbij niet als eis dat die medebelanghebbende niet op de hoogte is of zou kunnen zijn van de ten aanzien van zijn echtgenoot genomen beschikking. Ook het eerste middel kan derhalve niet slagen.
3.Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4.Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
verstaat dat de heffingsambtenaar van de gemeente Apeldoorn de gevraagde beschikking neemt, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1470 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2015.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn wordt een griffierecht geheven van € 493.