Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juni 2015.
Hoge Raad
Deze zaak betreft het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van het niet inschrijven van haar leerplichtige dochter op een school. De leerplichtwet verplicht ouders hun kinderen in te schrijven op een school, tenzij vrijstelling wordt verleend op grond van onder meer richtingsbezwaren tegen het onderwijs.
De verdachte had haar dochter tot 31 juli 2011 ingeschreven op een school buiten redelijke afstand van de woning, maar daarna niet meer. Zij deed op 23 juni 2011 een kennisgeving met een beroep op vrijstelling wegens richtingsbezwaren, waarbij praktische bezwaren zoals de grote afstand en gewijzigde gezinssituatie een rol speelden. Het hof oordeelde dat deze praktische bezwaren, die veranderde omstandigheden van prangende aard vormen, een uitzondering op de restrictieve uitleg van de vrijstellingsregeling rechtvaardigen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat de wet geen absolute beperking inhoudt dat na het eerste leerplichtige jaar geen vrijstelling meer kan worden verkregen. De memorie van antwoord bij de wetgever voorziet in uitzonderingen, zoals verhuizing of het ontbreken van een school binnen redelijke afstand zonder richtingsbezwaren. In dit geval was sprake van een vergelijkbare situatie, waardoor de vrijstelling terecht werd toegekend.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak benadrukt het belang van een genuanceerde toepassing van de leerplichtwet, waarbij praktische en veranderde persoonlijke omstandigheden kunnen leiden tot een vrijstelling van de inschrijfplicht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte terecht vrijgesteld is van de inschrijfplicht wegens prangende veranderde omstandigheden en spreekt haar vrij.