Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
22 mei 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin werd beslist over het ontnemen van de schone lei in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), terecht was. De procedure betrof het insolventienummer C/13/07/906-R en kende meerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof.
Verzoekster stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof, waarbij onder meer werd gedebatteerd over de rol van de rechter-commissaris als 'belanghebbende' en het moment waarop de bewindvoerder kennis kreeg van de schuld. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat zij niet leidden tot rechtsvragen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.