Belanghebbende was geconfronteerd met navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen over de jaren 1990 tot en met 2000 in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Na eerdere procedures werd de zaak door de Hoge Raad verwezen naar het Hof te ’s-Gravenhage voor verdere behandeling.
In cassatie stelde belanghebbende dat het bewijs voor de opgelegde boeten onvoldoende was, mede gelet op het arrest van 28 juni 2013. De Hoge Raad oordeelde dat het tegoed van belanghebbende bij de Kredietbank Luxembourg op 31 januari 1994 minder dan ƒ 100.000 bedroeg en daarmee niet als aanzienlijk kon worden aangemerkt. Tevens ontbrak het bewijs dat de Inspecteur anders dan via een bewijsvermoeden een beboetbaar feit had geleverd.
De Hoge Raad vernietigde daarom de boetebeschikkingen en verhogingen, sprak de kosten toe aan belanghebbende en bepaalde dat de Staat het betaalde griffierecht aan belanghebbende moest vergoeden. Hiermee werd het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het Hof deels vernietigd.