Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 23 maart 2012, nr. BK-10/00382, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Hoge Raad
Belanghebbende was directeur en enig aandeelhouder van een besloten vennootschap die failliet werd verklaard. De inspecteur had belanghebbende en drie vennootschappen bij beschikking als één ondernemer aangemerkt voor de omzetbelasting. Na bezwaar wijzigde de inspecteur deze beschikking, zodat slechts belanghebbende en één vennootschap als fiscale eenheid werden beschouwd.
De rechtbank en het hof bevestigden deze wijziging, waarbij het hof oordeelde dat de inspecteur niet verplicht was een nieuwe beschikking of ingangsdatum vast te stellen. Belanghebbende stelde in cassatie dat een gedeeltelijke wijziging van de fiscale eenheid bij uitspraak op bezwaar niet mogelijk was.
De Hoge Raad verwierp dit en stelde dat op grond van de Wet op de omzetbelasting en de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur een beschikking gedeeltelijk kan herroepen bij uitspraak op bezwaar. De gegevens in de beschikking die niet stroken met de gewijzigde fiscale eenheid hebben geen invloed op de geldigheid van de beschikking.
De overige middelen werden ongegrond verklaard en de Hoge Raad wees het beroep in cassatie af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de gedeeltelijke herroeping van de fiscale eenheid door de inspecteur.