Uitspraak
Fiscale Eenheid [X] B.V. c.s.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank te ’s-Gravenhagevan 4 september 2012, nrs. AWB 10/8641 en 10/8673, betreffende naheffingsaanslagen in de verpakkingenbelasting.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, een fiscale eenheid die textielgoederen importeert, werd door de rechtbank veroordeeld tot het betalen van naheffingsaanslagen verpakkingenbelasting over de jaren 2008 en 2009. De rechtbank oordeelde dat het zich ontdoen van de secundaire verpakkingen, door scheiding en bewerking zoals versnipperen en persen, valt onder het begrip zich ontdoen in de zin van artikel 82 lid 1 sub b van Pro de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm).
In cassatie betwistte belanghebbende dit oordeel met rechts- en motiveringsklachten. De Hoge Raad stelde vast dat het begrip zich ontdoen overeenkomstig het algemeen spraakgebruik moet worden uitgelegd en omvat elk handelen waardoor de importeur niet langer over de verpakkingen kan beschikken. Dit sluit aan bij de Europese Verpakkingenrichtlijn en Afvalstoffenrichtlijn, waarin afvalstoffen worden omschreven als voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, ongeacht economische waarde of hergebruiksmogelijkheden.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat verkoop van de bewerkte materialen aan verwerkende bedrijven het ontdoen uitsluit. Het oordeel van de rechtbank was niet onjuist of onbegrijpelijk en kon in cassatie niet worden getoetst. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen verpakkingenbelasting.