Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2014:342

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 februari 2014
Publicatiedatum
17 februari 2014
Zaaknummer
12/04850
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 lid 1 letter b WbmWet belastingen op milieugrondslagAlgemene wet bestuursrechtRichtlijn 94/62/EGRichtlijn 75/442/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt heffing verpakkingenbelasting bij ontdoen van secundaire verpakkingen door importeur

Belanghebbende, een fiscale eenheid die textielgoederen importeert, werd door de rechtbank veroordeeld tot het betalen van naheffingsaanslagen verpakkingenbelasting over de jaren 2008 en 2009. De rechtbank oordeelde dat het zich ontdoen van de secundaire verpakkingen, door scheiding en bewerking zoals versnipperen en persen, valt onder het begrip zich ontdoen in de zin van artikel 82 lid 1 sub b van Pro de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm).

In cassatie betwistte belanghebbende dit oordeel met rechts- en motiveringsklachten. De Hoge Raad stelde vast dat het begrip zich ontdoen overeenkomstig het algemeen spraakgebruik moet worden uitgelegd en omvat elk handelen waardoor de importeur niet langer over de verpakkingen kan beschikken. Dit sluit aan bij de Europese Verpakkingenrichtlijn en Afvalstoffenrichtlijn, waarin afvalstoffen worden omschreven als voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, ongeacht economische waarde of hergebruiksmogelijkheden.

De Hoge Raad verwierp het verweer dat verkoop van de bewerkte materialen aan verwerkende bedrijven het ontdoen uitsluit. Het oordeel van de rechtbank was niet onjuist of onbegrijpelijk en kon in cassatie niet worden getoetst. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen verpakkingenbelasting.

Uitspraak

21 februari 2014
nr. 12/04850
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
Fiscale Eenheid [X] B.V. c.s.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank te ’s-Gravenhagevan 4 september 2012, nrs. AWB 10/8641 en 10/8673, betreffende naheffingsaanslagen in de verpakkingenbelasting.

1.Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2008 en 2009 naheffingsaanslagen verpakkingenbelasting opgelegd. Met toepassing van artikel 7:1a Awb is door belanghebbende beroep tegen deze aanslagen ingesteld.
De Rechtbank heeft het tegen de naheffingsaanslagen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 14 november 2013 geconcludeerd tot ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende, een fiscale eenheid voor de omzetbelasting en als concern in de heffing van verpakkingenbelasting betrokken, importeert textielgoederen. De ingevoerde goederen worden in het distributiecentrum van belanghebbende in Nederland gescheiden van de secundaire verpakkingen waarin zij zich bij aankomst bevinden. Na van de goederen te zijn gescheiden worden de secundaire verpakkingen door belanghebbende bewerkt, onder meer door deze te versnipperen, te pletten en/of samen te persen. De aldus bewerkte materialen worden vervolgens door belanghebbende verkocht aan karton respectievelijk plastic verwerkende bedrijven.
3.2.
Voor de Rechtbank was in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende ter zake van de hiervoor in 3.1 bedoelde secundaire verpakkingen verpakkingenbelasting verschuldigd is, omdat zij, importeur zijnde, zich van die verpakkingen heeft ontdaan in de zin van artikel 82, lid 1, letter b, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst 2008 en 2009; hierna: Wbm).
De Rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Zij heeft daartoe onder meer geoordeeld dat het zich ontdoen van een secundaire verpakking aldus dient te worden uitgelegd dat de verpakking van het product wordt gescheiden en buiten de beschikkingsmacht van de importeur wordt gebracht.
3.3.1.
Het middel bestrijdt het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank met rechts- en motiveringsklachten.
3.3.2.
Bij de beoordeling van het middel heeft te gelden dat het zich ontdoen van de verpakking van producten als bedoeld in artikel 82, lid 1, letter b, Wbm moet worden opgevat overeenkomstig het algemeen spraakgebruik. Het omvat in ieder geval elk handelen van de importeur dat ertoe leidt dat hij niet langer over de desbetreffende verpakkingen kan beschikken.
Uit de Memorie van Toelichting bij het Belastingplan 2008, Kamerstukken II 2007-2008, 31 205, nr. 3, blz. 64, blijkt dat de wetgever bij de regeling van de verpakkingenbelasting aansluiting heeft willen zoeken bij het begrippenkader van de Verpakkingenrichtlijn (Richtlijn 94/62/EG), die op haar beurt, met name ook voor het begrip verpakking, verwijst naar het begrip afvalstof in de Afvalstoffenrichtlijn (Richtlijn 75/442/EEG). Het begrip afvalstof is in laatstbedoelde richtlijn omschreven als “elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I bij de Afvalstoffenrichtlijn genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”. Zoals de Hoge Raad onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld in zijn arrest van 3 december 2013, nr. 13/00195, ECLI:NL:HR:2013:1564, zijn voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, afvalstoffen ongeacht of zij bijvoorbeeld substantiële waarde hebben in het economische verkeer, op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn of niet afgedankt en niet versleten zijn. Dat oordeel is gegeven voor het begrip afvalstof in de Richtlijn 2006/12/EEG, doch gaat ook op voor het begrip afvalstof in de daaraan voorafgaande Richtlijn 75/442/EEG. In de term zich ontdoen ligt derhalve niet besloten dat dit is een handelen met betrekking tot voorwerpen die geen waarde hebben of geen nuttige aanwending zullen vinden. Anders dan het middel betoogt staat de omstandigheid dat belanghebbende de in geding zijnde materialen heeft verkocht niet in de weg aan de conclusie dat zij zich van de secundaire verpakkingen heeft ontdaan.
3.3.3.
Het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende zich van de verpakkingen heeft ontdaan in de zin van artikel 82, lid 1, letter b, Wbm geeft, gelet op het hiervoor in 3.3.2 overwogene, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, E.N. Punt, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2014.