De zaak betreft een beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin een belanghebbende in hoger beroep was gegaan tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000.
De Hoge Raad heeft het ingediende cassatiemiddel beoordeeld en geconcludeerd dat dit middel niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft vervolgens de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding, rekening houdend met de samenhang van deze zaak met twee andere zaken. Het griffierecht werd vastgesteld op € 478, en de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 974.
Het arrest is gewezen door de vice-president Overgaauw als voorzitter en de raadsheren Koopman en van Kalmthout, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2014.