Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2014:268

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2014
Publicatiedatum
7 februari 2014
Zaaknummer
13/01738
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering getuigenbewijs in verzekeringszaak brandstichting

In deze zaak stond de beoordeling van getuigenbewijs centraal in een verzekeringsgeschil over brandstichting. De eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, dat eerder de vorderingen van de eiser had afgewezen.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties en oordeelt dat de klachten van de eiser niet leiden tot cassatie. De Hoge Raad stelt dat de waardering van het getuigenbewijs door het hof niet onbegrijpelijk is en dat geen nadere motivering nodig is omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen.

Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van Interpolis komt daardoor niet aan de orde. De Hoge Raad veroordeelt de eiser in de kosten van het cassatiegeding en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Streefkerk, Polak en Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door vice-president Numann.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitspraak

7 februari 2014
Eerste Kamer
nr. 13/01738
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mrs. S. Kousedghi en B.J. van Dorp,
t e g e n
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., h.o.d.n. Interpolis,
gevestigd te Apeldoorn, kantoorhoudende te Tilburg,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. K. Teuben.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Interpolis.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 130117/HA ZA 04-383 van de rechtbank Breda van 15 december 2004 en 5 april 2006;
b. de arresten in de zaak HD 103.003.459/01 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 15 januari 2008, 19 mei 2009 en 18 december 2012.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 18 december 2012 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Interpolis heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Interpolis mede door mr. K.J.O Jansen, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het principale beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 20 december 2013 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Interpolis begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op
7 februari 2014.