Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
3 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 maart 2013. De verdachte, vertegenwoordigd door mr. M.L. Groeneveld, heeft middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is geen nadere motivering vereist omdat de middelen niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is uitgesproken op 3 juni 2014 door de strafkamer van de Hoge Raad, waarbij de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan (voorzitter), N. Jörg en V. van den Brink het arrest hebben gewezen. Het beroep is verworpen en daarmee blijft het arrest van het Gerechtshof Den Haag in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, arrest Gerechtshof blijft in stand.