In deze zaak heeft belanghebbende cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2013, die betrekking had op beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) voor het jaar 2010 betreffende twee onroerende zaken.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee is het geschil in cassatie definitief afgesloten zonder inhoudelijke behandeling.
Het arrest is op 31 januari 2014 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren.