Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
21 januari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het beroep is ingesteld door de verdachte en behandeld door de Hoge Raad op 21 januari 2014.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden omdat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Gezien de aard en zwaarte van de opgelegde straf en de mate van overschrijding, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen te verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep wordt derhalve verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81, eerste lid, RO.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolg.