Conclusie
Mr Jörg
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft zij verklaard - zakelijk weergegeven - dat zij wist dat de BWM van haar zoon [medeverdachte 1] was en - bij de politie - dat zij wist dat hij een uitkering ontvangt. Het is een feit van algemene bekendheid dat een BMW 645ci cabrio een dure auto is die personen met een uitkering in beginsel niet kunnen betalen. De verdachte had derhalve kunnen vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig was.
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat zij dacht dat [medeverdachte 1] de BMW had gekocht “van zijn geld dat hij gewonnen had met spelletjes", niet aannemelijk. Echter, zelfs als ervan zou worden uitgegaan dat zij dit dacht, had de verdachte naar 's hofs oordeel - gelet op hetgeen hiervóór is vastgesteld - zonder nader onderzoek naar de herkomst van het voor de auto betaalde geld, niet mogen handelen zoals zij heeft gedaan, te weten het op haar naam stellen van de auto.
Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte samen met anderen opzettelijk verhuld wie de rechthebbende op de BMW was, terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die BMW afkomstig was uit enig misdrijf." (arrest, p. 6/7)
kunnenvermoeden dat de auto uit misdrijf afkomstig is niet redengevend voor het bewezenverklaarde
moetenvermoeden.
konvermoeden dat de auto van misdrijf afkomstig was. Daar komt namelijk bij dat de kort op elkaar volgende wijzigingen in de tenaamstelling tot datzelfde vermoeden van “niet pluis"
kondenleiden. Dat het Hof heeft bewezenverklaard dat die omstandigheden tezamen ook bij de verdachte redelijkerwijs tot het vermoeden
moestenleiden dat de auto uit misdrijf afkomstig was, is hiermee niet in strijd.
bij de Hoge Raad der Nederlanden