Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 januari 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De kern van het geschil betreft de klacht dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg niet overeenkomstig art. 327 Sv Pro was ondertekend, waardoor het volgens de verdediging geen rechtskracht zou hebben en niet als bewijs mocht worden gebruikt.
Naar aanleiding van deze klacht heeft de Advocaat-Generaal zich tot de Rechtbank gewend, wat heeft geleid tot toezending van het betreffende proces-verbaal. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de raadsman van de verdachte in de gelegenheid moet worden gesteld om kennis te nemen van dit nagezonden stuk en zich daar schriftelijk over uit te laten.
De Hoge Raad heeft daarom een termijn van twee weken gesteld waarbinnen de raadsman schriftelijk kan reageren. Tot die tijd houdt de Hoge Raad elke verdere beslissing in deze cassatiezaak aan. Dit tussentijds arrest is gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad op 21 januari 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad houdt de verdere beslissing aan en stelt de raadsman van verdachte in de gelegenheid schriftelijk te reageren op het nagezonden proces-verbaal.