Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 mei 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de moeder cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam betreffende de ondertoezichtstelling van haar kind. De ondertoezichtstelling hield verband met problemen rondom de omgangsregeling.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere beslissingen van de kinderrechter en het gerechtshof en heeft kennisgenomen van de conclusie van de Advocaat-Generaal die tot verwerping van het beroep strekte. De moeder heeft hierop gereageerd, maar de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie.
Gezien artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie is geen nadere motivering vereist omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ondertoezichtstelling.