ECLI:NL:HR:2013:BZ7394
Hoge Raad
- Cassatie
- F.B. Bakels
- A.H.T. Heisterkamp
- C.E. Drion
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk in verzekeringszaak wegens merkelijke schuld
In deze zaak stond een geschil tussen eiser en De Goudse Schadeverzekeringen N.V. centraal, waarbij eiser in cassatie ging tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het geschil betrof onder meer de toepassing van artikel 294 van Pro het oude Wetboek van Koophandel in het kader van verzekeringsrecht en de vraag of sprake was van merkelijke schuld van de verzekerde.
De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen van de rechtbank 's-Gravenhage en het arrest van het gerechtshof, die aan het arrest gehecht waren. De Goudse was in cassatie verstek verleend. De Procureur-Generaal stelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Procesrecht.
De advocaat van eiser reageerde op dit standpunt, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigden omdat eiser klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd eiser veroordeeld in de kosten van het geding, die aan de zijde van De Goudse op nihil werden begroot.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.