ECLI:NL:HR:2013:BY6888
Hoge Raad
- Cassatie
- C. Schaap
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Th. Groeneveld
- G. de Groot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking voor recht op vervoersvoorziening WIA
Belanghebbende, sinds 1981 gedeeltelijk werkzaam als vakkenvuller bij Albert Heijn met een zeer lage vergoeding, vroeg om een vervoersvoorziening op grond van de Wet WIA. Het UWV wees dit af, waarna de Rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond verklaarde. De Centrale Raad vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond, met als reden dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Centrale Raad baseerde dit onder meer op het feit dat de vergoeding van circa € 0,80 bruto per uur ver onder het minimumloon lag, en dat daardoor geen reëel loon werd betaald. Belanghebbende stelde in cassatie dat de hoogte van het loon niet relevant is voor het bestaan van een dienstbetrekking en dat hij wel degelijk werknemer was in de zin van de Wet WIA en Ziektewet.
De Hoge Raad oordeelde dat de Centrale Raad onjuist had geoordeeld over de betekenis van de loonhoogte, maar dat dit niet tot cassatie kon leiden omdat vaststond dat belanghebbende geen verplichting had om gedurende zekere tijd arbeid te verrichten in een gezagsverhouding. Het feit dat belanghebbende vrij was om werkzaamheden niet te verrichten, pauzes te nemen en zich regelmatig ziek te melden zonder regulier verzuimtraject, maakte dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van de Centrale Raad dat belanghebbende geen werknemer is in de zin van artikel 8, lid 1, van de Wet WIA en artikel 3, lid 1, van de Ziektewet.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.