Uitspraak
Stichting [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank te Amsterdamvan 7 juni 2012, nrs. AWB 11/930 t/m 11/943, betreffende beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).
Hoge Raad
Belanghebbende is eigenares van een kantoorgebouw verdeeld in vijftien WOZ-objecten. De heffingsambtenaar had de waarden van deze objecten voor 2010 vastgesteld, waarbij de vraag speelde of de huurwaarde inclusief of exclusief btw moest worden bepaald. De Rechtbank oordeelde dat de objecten afzonderlijk moesten worden gewaardeerd en dat voor de meeste objecten de huurwaarde inclusief btw moest worden gehanteerd omdat ze niet minimaal twee jaar voor de waardepeildatum in gebruik waren genomen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het gehele gebouw als één onroerende zaak moest worden beschouwd voor de btw-toepassing, waardoor de huurwaarde exclusief btw moest worden vastgesteld. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat de waardering per WOZ-object moet plaatsvinden alsof het afzonderlijke onroerende zaken zijn, waarbij per object wordt beoordeeld of de btw-vrijstelling geldt.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat voor drie WOZ-objecten sprake was van een bijzondere omstandigheid die een waardeverandering rechtvaardigde op grond van artikel 18, lid 3, letter c, Wet WOZ. Dit leidde tot een verlaging van de waarde van twee objecten. De Hoge Raad vernietigde het oordeel van de Rechtbank voor deze onderdelen en bepaalde dat de gemeente Amsterdam de proceskosten in cassatie moet vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk de uitspraak van de Rechtbank en verlaagt de WOZ-waarden van twee objecten, waarbij het College wordt veroordeeld in de proceskosten.