Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 5 juni 2012, nr. 11/00318, betreffende een ten aanzien van
Maatschap [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) genomen beschikking inzake omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende verzocht om teruggaaf van omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2004. Na bezwaar en beroep werd de beschikking van de Inspecteur vernietigd en een hogere teruggaaf verleend door de Rechtbank en bevestigd door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De Hoge Raad vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling.
Het Hof Arnhem oordeelde dat de Inspecteur zich niet meer mocht verzetten tegen de stelling dat het pand tot het bedrijfsvermogen behoorde en dat belanghebbende als één belastingplichtige moest worden beschouwd. Het Hof verleende een hogere teruggaaf op die grondslag.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof Arnhem de verwijzingsopdracht onjuist had uitgevoerd door niet nader te onderzoeken of het pand daadwerkelijk tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoorde. De Hoge Raad stelde dat dit een feitelijk onderzoek vereist dat in cassatie niet kan worden verricht.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Arnhem en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.