ECLI:NL:HR:2013:1831

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2013
Publicatiedatum
12 december 2013
Zaaknummer
12/03305
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens niet-beslissen op verzoek immateriële schadevergoeding in belastingzaak

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage betreffende navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen over de jaren 1991 tot en met 2000. Voor de sluiting van het onderzoek verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade en heropening van het onderzoek.

Het hof weigerde dit verzoek en rekende de brief niet tot de gedingstukken, omdat de schorsing van het onderzoek volgens het hof niet bedoeld was om nieuwe geschilpunten te introduceren. De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit verzoek niet had mogen negeren, omdat het verzoek vóór sluiting van het onderzoek was gedaan.

De overige middelen van belanghebbende en de klachten van de Staatssecretaris leiden niet tot cassatie. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het niet heeft beslist op het verzoek tot immateriële schadevergoeding en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het niet beslissen op het verzoek tot immateriële schadevergoeding en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

20 december 2013
nr. 12/03305
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 25 mei 2012, nr. BK-04/02522, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1992 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord. Hij heeft tevens een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

2.1.1.
Het Hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 21 januari 2011 en nader behandeld ter zitting van 10 januari 2012 en het onderzoek toen gesloten. Het heeft vervolgens op 25 mei 2012 uitspraak gedaan.
2.1.2.
Belanghebbende heeft vóór de sluiting van het onderzoek op 10 januari 2012 bij brief van 5 januari 2012 met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb Pro een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade en daarbij voor zover nodig verzocht het onderzoek ter zitting te heropenen. Het Hof heeft de gevraagde heropening geweigerd en de brief van belanghebbende niet tot de gedingstukken gerekend, onder meer omdat naar ’s Hofs oordeel de schorsing van het onderzoek ter zitting niet ertoe heeft gestrekt een der partijen de gelegenheid te bieden nieuwe geschilpunten op te werpen. Daartegen richt zich middel 3.
2.1.3.
Het middel slaagt. Aangezien het verzoek van belanghebbende vóór de sluiting van het onderzoek is gedaan, had het Hof daaraan niet voorbij mogen gaan (vgl. onder meer HR 12 april 2013, nr. 12/01566, ECLI:NL:HR:2013:BZ6799, BNB 2013/134).
2.2.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3.
Gelet op het hiervoor in 2.1 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3.Beoordeling van de door de Staatssecretaris aangevoerde klacht

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 7 juni 2013, nr. 12/01565, ECLI:NL:HR:2013:CA2232, BNB 2013/183).

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 12/03305, 12/03306, 12/03309 en 12/03312 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond,
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof heeft nagelaten te beslissen op het verzoek tot vergoeding van immateriële schade,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een vierde van € 4248, derhalve € 1062, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.