Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Oost-Nederlandvan 29 januari 2013, nr. AWB 12/5949, betreffende een aanslag in het recht van successie.
Hoge Raad
Belanghebbende stelde zich in cassatie op het standpunt dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet 1956 in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro, omdat deze faciliteit een onderscheid maakt tussen ondernemingsvermogen en ander vermogen bij de heffing van successierecht.
De Rechtbank Oost-Nederland had de aanslag in het recht van successie opgelegd en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat het discriminatieverbod niet iedere ongelijke behandeling verbiedt, maar alleen die zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij fiscale regelingen, zeker als het onderscheid niet gebaseerd is op aangeboren kenmerken.
De faciliteit is ingevoerd om liquiditeitsproblemen bij bedrijfsopvolging te voorkomen en ondernemerschap te stimuleren. De Hoge Raad oordeelt dat de faciliteit niet evident van redelijke grond is ontbloot en dat de wetgever niet zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden. De rapporten en wetsgeschiedenis onderbouwen de noodzaak en doelmatigheid van de faciliteit, ook al is empirisch onderzoek beperkt.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt daarmee de rechtmatigheid van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit zoals die gold in het onderhavige jaar. De uitspraak van de Rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag in het recht van successie blijft in stand.