Uitspraak
1.Het arrest in dit geding
2.Beslissing
25 oktober 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 25 januari 2013 een arrest gewezen waarin een kennelijke fout in het dictum werd vastgesteld. De advocaat van de man verzocht de Hoge Raad op grond van artikel 31 Rv Pro het dictum te herstellen, omdat onjuist werd verwezen naar het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 31 augustus 2010 in plaats van het juiste arrest van 21 juni 2011.
De advocaat van de vrouw reageerde op dit verzoek en de Procureur-Generaal zag af van een aanvullend conclusie. De Hoge Raad stelde vast dat sprake was van een eenvoudige herstelbare fout en besloot het dictum dienovereenkomstig te corrigeren.
Het aangepaste dictum vermeldt nu correct dat in het principale beroep het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 21 juni 2011 wordt vernietigd en het geding wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing. Het incidentele beroep werd verworpen en de kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren van de Hoge Raad, waarbij de raadsheer M.A. Loth het arrest in het openbaar uitsprak op 25 oktober 2013.
Uitkomst: Het dictum van het arrest van 25 januari 2013 is hersteld door correctie van de datum van het vernietigde arrest naar 21 juni 2011.