ECLI:NL:HR:2012:BW9073
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- C.H.W.M. Sterk
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslastverdeling bij vaststelling plaats werkelijke leiding vennootschap
Belanghebbende, een vennootschap opgericht naar Nederlands recht en statutair gevestigd te Z, stelde dat haar werkelijke leiding vanaf 1 juli 2001 was verplaatst naar de Nederlandse Antillen. De Inspecteur legde aanslagen vennootschapsbelasting op voor de jaren 2001, 2002 en 2003, waarbij hij dit verweer niet volgde en de aanslagen handhaafde.
De Rechtbank te Arnhem oordeelde dat belanghebbende niet had aangetoond dat de werkelijke leiding was verplaatst en vernietigde deels de aanslagen voor 2001 en 2003. Het Hof bevestigde dit oordeel en stelde dat belanghebbende de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat de werkelijke leiding zich in de Nederlandse Antillen bevindt, conform artikel 35b, lid 7, van de BRK.
In cassatie betoogde belanghebbende dat het Hof onjuist had geoordeeld over de bewijslastverdeling en dat zij wel had aangetoond dat de werkelijke leiding was verplaatst. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het Hof het oordeel over de feitelijke vaststelling van de plaats van werkelijke leiding niet onbegrijpelijk had genomen.
De Hoge Raad benadrukte dat artikel 35b, lid 7, van de BRK inhoudt dat de bewijslast bij de vennootschap ligt en dat deze bewijslast niet verzwaard wordt, maar wel telkens opnieuw geldt totdat aannemelijk is gemaakt dat de werkelijke leiding is verplaatst. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de werkelijke leiding is verplaatst naar de Nederlandse Antillen.