ECLI:NL:HR:2012:BV3407
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Geen weigeringsgrond voor teruggeleiding onder Haags Kinderontvoeringsverdrag
In deze zaak vordert de vader cassatie tegen een eindbeschikking van het gerechtshof te Leeuwarden die de teruggeleiding van een kind onder het Haags Kinderontvoeringsverdrag beoogt. De Centrale Autoriteit en de moeder, woonachtig in Duitsland, zijn verweerders in cassatie maar hebben geen verweerschrift ingediend.
De feiten betreffen een verzoek tot teruggeleiding van het kind naar de moeder in Duitsland. De rechtbank en het hof hebben eerder beschikking gegeven over dit verzoek, waarbij het hof een eindbeschikking heeft genomen. De vader heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beschikking van het hof en het cassatierekest en oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Er is geen sprake van een weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 13 van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Het beroep wordt verworpen zonder nadere motivering, aangezien geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.
De beschikking is gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Streefkerk en Loth en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Bakels op 23 maart 2012.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de teruggeleiding van het kind onder het Haags Kinderontvoeringsverdrag bevestigd.