ECLI:NL:PHR:2012:BV3407
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt teruggeleiding kinderen naar Duitsland op grond van Haags Kinderontvoeringsverdrag
In deze zaak verzocht de Centrale Autoriteit op grond van artikel 12 van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) de teruggeleiding van drie minderjarige kinderen naar Duitsland, waar zij hun gewone verblijfplaats hadden. De vader, die samen met de moeder het gezag over de kinderen heeft, betwistte dit en stelde dat de gewone verblijfplaats inmiddels Nederland was geworden.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de gewone verblijfplaats van de kinderen niet was gewijzigd en nog steeds Duitsland betrof. Het hof stelde dat de vader onvoldoende bewijs had geleverd voor instemming van de moeder met een wijziging van de gewone verblijfplaats naar Nederland. De moeder was niet akkoord met het verblijf in Nederland, waardoor sprake was van een ongeoorloofd niet-terugkeren van de kinderen.
Het hof bekeek ook de door de raad voor de kinderbescherming gerapporteerde zorgen over de ontwikkeling van de kinderen, maar vond deze niet voldoende om een weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 onder Pro b HKOV aan te nemen. De vader stelde dat de samenstelling van het hof was gewijzigd en dat dit een schending van het recht op een eerlijk proces betekende, en dat het hof het toetsingscriterium van de Hoge Raad had miskend. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde het oordeel van het hof, waarbij het belang van het kind en de restrictieve toepassing van de weigeringsgrond centraal stonden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de teruggeleiding van de kinderen naar Duitsland bevestigd.