ECLI:NL:HR:2011:BQ7049

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01533
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6:265 BWArt. 6:277 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt wanprestatie ondanks opzegging samenwerkingsovereenkomst

In deze zaak stond de vraag centraal of het ondanks opzegging voortzetten van participatie in een ander project door de wederpartij kan worden aangemerkt als wanprestatie. Eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem, waarin het hof het geschil over de uitvoering van een samenwerkingsovereenkomst had beslecht.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad en het arrest van het gerechtshof Arnhem, waarin de feiten en het geschil uitvoerig zijn behandeld. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten in het cassatiemiddel niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

Het arrest bevestigt dat de belangen van de wederpartij zijn veronachtzaamd door de voortzetting van participatie in een ander project en dat dit wanprestatie oplevert, met als consequentie ontbinding en schadevergoeding op grond van de artikelen 6:265 en 6:277 BW. De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.

Uitspraak

8 juli 2011
Eerste Kamer
10/01533
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 117491/HA ZA 06-194 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 mei 2006, 25 april 2007 en 28 november 2007;
b. het arrest in de zaak 107.002.461/01 van het gerechtshof te Arnhem van 8 december 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, J.C. van Oven, W.D.H. Asser en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 juli 2011.