Conclusie
Inleiding
uitsluitendde bedoeling was van erflaatster te voorkomen dat haar ouders zouden erven en dat het niet uitdrukkelijk de bedoeling was haar broer te laten erven. De juistheid van dit standpunt kan evenwel niet als vaststaand worden aangenomen. [eiser] heeft immers aangevoerd dat erflaatster met hem een zeer nauwe en goede band had en dat het haar wil was [eiser] te bevoordelen, de goede verhouding met [eiser] te regelen.
heeft in dit verband nog betoogd – welk standpunt door de rechtbank terecht is overgenomen – dat de clausule in het testament niet luidt ‘ik onterf mijn ouders’, maar ‘ik benoem mijn broer tot mijn enige erfgenaam’ en dat het voor de hand had gelegen bewoordingen te gebruiken waaruit nu juist duidelijk de intentie blijkt dat erflaatster destijds uitsluitend haar slechte verhouding met haar ouders bij testament had willen regelen.
(…)
Het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
Komt men er echter op deze wijze niet uit en moet de conclusie zijn dat de wil zo “geen duidelijke zin” heeft dan geeft artikel 8 lid 2 een Pro nog ruimere uitleggingsmogelijkheid. In dat geval mag voor de uitlegging van de beschikking óók nog gebruik gemaakt worden van daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil om.
uitsluitendde bedoeling van erflaatster was dat haar ouders niet zouden erven en dat het niet uitdrukkelijk de bedoeling was dat haar broer zou erven. Dat heeft het hof dan ook niet als vaststaand aangenomen. Het kon ook niet worden afgeleid uit de objectief vaststaande gegevens.