ECLI:NL:HR:2010:BO8471
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Vaststelling aftrek lijfrentepremie bij overdracht onderneming aan B.V.
Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden een landbouwbedrijf en richtten een B.V. op waarmee zij een maatschap zijn aangegaan. Zij brachten hun onderneming in de maatschap in en bedongen lijfrenten bij de B.V. ter waarde van €418.313. Belanghebbende bracht in zijn belastingaangifte de betaalde lijfrentepremie gedeeltelijk in aftrek, maar de Inspecteur en rechtbanken stelden de aftrek grotendeels niet vast.
Het geschil betrof de vraag of de bedongen lijfrente de tegenprestatie vormde voor de overdracht van een onderneming aan de B.V., zoals vereist voor aftrek op grond van artikel 3.126 Wet IB 2001. Het hof oordeelde dat geen sprake was van overdracht van een onderneming en dat de lijfrente niet als tegenprestatie kon gelden, omdat de maatschapsakte geen overdracht van onderneming aan de B.V. bevatte en de tegenprestatie uit contanten bestond.
De Hoge Raad stelt dat uit de feiten blijkt dat belanghebbende en zijn echtgenote wel degelijk een evenredig deel van hun onderneming aan de B.V. hebben overgedragen via de maatschap. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor een volledige herbeoordeling. Tevens wordt opgemerkt dat een contante (toe)betaling niet aan aftrek in de weg staat indien de waarde van de lijfrente de waarde van de overgedragen onderneming overtreft.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep. De vergoeding van kosten in eerdere instanties zal door het verwijzingshof worden beoordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor herbehandeling.