ECLI:NL:HR:2010:BO2884
Hoge Raad
- Cassatie
- A. Hammerstein
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en toewijzing van bedrijfsschadevergoeding in verzekeringsrechtelijke procedure
In deze zaak staat de vaststelling van de omvang van bedrijfsschade centraal die [verweerder] in 1984 heeft geleden en waarvoor hij verzekerd was bij een rechtsvoorganger van Avéro. Na een voorschotbetaling van ƒ 100.000,-- ontstond onenigheid over de definitieve schadevergoeding. Een bindend advies stelde de schade vast op ƒ 50.000,--, waarop [verweerder] een deel van het voorschot restitueerde.
De rechtbank kende een schadevergoeding van € 21.732,17 toe, terwijl het hof de schade op ƒ 142.487,-- stelde en Avéro veroordeelde tot betaling aan [verweerder] van € 25.181,-- plus rente. Avéro stelde in cassatie dat zij reeds had voldaan aan haar verplichtingen en dat zij een bedrag van € 32.808,08 te veel had betaald. Het hof had deze vordering onterecht niet toegewezen, wat de Hoge Raad als een kennelijke omissie beoordeelde.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het deze omissie betreft en wees de vordering van Avéro toe. Daarbij veroordeelde de Hoge Raad [verweerder] tot betaling van € 32.808,08 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 september 2003. Avéro deed afstand van haar recht op rente over de periode tot die datum. De Hoge Raad bepaalde tevens dat [verweerder] de kosten van het cassatiegeding moet dragen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een volledige en correcte vaststelling van schadebedragen in verzekeringsprocedures en de mogelijkheid voor de Hoge Raad om kennelijke omissies in lagere rechtelijke uitspraken te herstellen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering van Avéro tot betaling van € 32.808,08 toe en veroordeelt [verweerder] tot betaling van dit bedrag met rente vanaf 22 september 2003.