ECLI:NL:HR:2010:BN7950
Hoge Raad
- Cassatie
- E.J. Numann
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenvonnis in Waterleidingwetprocedure
In deze zaak heeft Brabant Water cassatieberoep ingesteld tegen een tussenvonnis van de rechtbank Breda in een procedure op grond van de Waterleidingwet. Deze procedure betreft de vaststelling van lijsten van burgerrechtelijke rechten en verplichtingen en de vaststelling van schadeloosstelling bij overgang van distributiegebieden van waterleidingbedrijven.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en procedures bij de rechtbank Breda en benadrukt dat het stelsel van de Waterleidingwet bepaalt dat cassatieberoep slechts openstaat tegen het eindvonnis waarbij de lijst definitief wordt vastgesteld. Tegen tussenvonnissen, zoals die genoemd in de artikelen 31 en 34 van de Waterleidingwet, is alleen cassatie in het belang der wet mogelijk, en niet het gewone cassatieberoep.
De Hoge Raad overweegt dat ook in de procedure tot vaststelling van schadeloosstelling hetzelfde rechtsmiddelenstelsel geldt. Daarom is het cassatieberoep tegen het tussenvonnis niet ontvankelijk. Tevens wordt opgemerkt dat de rechtbank niet gebonden is aan oordelen in tussenvonnissen, omdat cassatieberoep daartegen is uitgesloten.
De Hoge Raad verklaart het beroep van Brabant Water niet-ontvankelijk en veroordeelt haar in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Brabant Water tegen het tussenvonnis is niet-ontvankelijk verklaard.