ECLI:NL:PHR:2012:BX9753
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vergoeding bij opheffing erfdienstbaarheden in ruilverkaveling Doniawerstal
In deze zaak staat centraal of de eigenaar van een heersend erf aanspraak kan maken op een vergoeding wegens de opheffing van erfdienstbaarheden in het kader van de ruilverkaveling Doniawerstal. De rechtbank had geoordeeld dat voor het opheffen van erfdienstbaarheden nooit een vergoeding wordt gegeven aan de eigenaar van het heersend erf, tenzij sprake is van nadeel. In dit geval was volgens de rechtbank een toereikende ontsluiting van de toedeling voorzien, waardoor geen nadeel ontstond en geen vergoeding verschuldigd was.
De eiser stelde dat hem wel een vergoeding toekwam voor het vervallen van drie erfdienstbaarheden, en voerde meerdere klachten aan tegen het vonnis, waaronder dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom geen vergoeding werd toegekend en dat onduidelijk was of compensatie in natura had plaatsgevonden. De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank niet in algemene zin had geoordeeld dat nooit vergoeding verschuldigd is, maar dat vergoeding alleen aan de orde is indien nadeel ontstaat. De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank het oordeel dat de ontsluiting kwalitatief gelijkwaardig was, niet onbegrijpelijk had gemotiveerd.
Verder werd vastgesteld dat het cassatieberoep ontvankelijk was, ondanks dat het vonnis slechts gedeeltelijk een eindvonnis vormde. De Hoge Raad verwierp de klachten van de eiser en bevestigde dat geen vergoeding toekomt omdat geen nadeel is vastgesteld. De zaak betreft de toepassing van de Landinrichtingswet en de Regeling herverkaveling, waarbij verrekenposten voor opheffing van erfdienstbaarheden worden geregeld, en bevestigt dat vergoeding alleen verschuldigd is bij daadwerkelijk nadeel.
Uitkomst: Geen vergoeding voor opheffing van erfdienstbaarheden omdat geen nadeel is vastgesteld.