ECLI:NL:HR:2001:ZD3018
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid regionale drinkwatermonopolies en verwerpt EG-verdragbezwaren
N.V. Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) vorderde bij de rechtbank de vaststelling van de lijst van burgerrechtelijke rechten en verplichtingen van N.V. Nutsbedrijven Maastricht (NM) als eigenaar van het waterleidingbedrijf dat overgaat op WML. De rechtbank stelde deze lijst voorlopig en later definitief vast en benoemde deskundigen voor schadeloosstelling. NM stelde bezwaren op grond van het EG-Verdrag tegen deze overdracht, stellende dat het tot een monopolie leidt dat vrije mededinging belemmert.
De rechtbank verwierp deze bezwaren en oordeelde dat de overgang niet leidt tot een nationaal commercieel monopolie in de zin van het EG-Verdrag, noch tot invoerbeperkingen of misbruik van machtspositie. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de Waterleidingwet geen bepalingen bevat die het handelsverkeer tussen lidstaten aanmerkelijk beïnvloeden of beperken. Ook werd geoordeeld dat het exclusieve recht van WML niet leidt tot misbruik van machtspositie.
Het cassatieberoep van NM werd verworpen omdat de bezwaren onvoldoende waren onderbouwd en de wettelijke procedure correct was gevolgd. De Hoge Raad veroordeelde NM tevens in de kosten van het geding. Hiermee werd de reorganisatie van de drinkwatervoorziening in Limburg bevestigd als rechtmatig en verenigbaar met het EG-recht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van N.V. Nutsbedrijven Maastricht wordt verworpen en de vaststelling van de rechten en verplichtingen bij overdracht aan WML bevestigd.