ECLI:NL:HR:2010:BL7953
Hoge Raad
- Cassatie
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing fraus legis bij omzetting geldlening in lijfrenteverplichting
Belanghebbende kreeg voor de jaren 1999, 2000 en 2001 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar door de Inspecteur werden gehandhaafd. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken van de Inspecteur en verminderde de aanslagen. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem.
Het Hof te Arnhem oordeelde opnieuw dat de omzetting van een geldlening in een lijfrenteverplichting onlosmakelijk samenhing met de verkoop van aandelen en dat geen doorslaggevend zakelijk motief aan deze omzetting ten grondslag lag. Het aandeelhoudersmotief om een stabiele inkomensstroom te garanderen werd niet als zakelijk doel erkend. Het Hof concludeerde dat het verijdelen van vennootschapsbelastingheffing, met name toepassing van artikel 10a lid 2 Wet Vpb 1969, het doorslaggevende motief was.
Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat het aandeelhoudersmotief wel als zakelijk moest worden beschouwd, maar de Hoge Raad verwierp dit als een verkeerde lezing van het hof. Ook een ander middel werd afgewezen omdat het buiten de grenzen van het geding na verwijzing lag. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het hof over fraus legis bij de omzetting.