ECLI:NL:HR:2010:BL6461

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11077
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechterlijke onpartijdigheid in omzetbelastingzaak

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1998-2000. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof Arnhem, dat het beroep ongegrond verklaarde, vernietigde de Hoge Raad dit arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Dit Hof verklaarde het beroep opnieuw ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

Belanghebbende klaagde over het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid van raadsheer mr. G.D. van Norden, mede gebaseerd op een publicatie in NRC Handelsblad. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht faalt omdat het artikel geen aanwijzingen bevatte die het gebrek aan onpartijdigheid konden onderbouwen.

De overige klachten van belanghebbende werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De Hoge Raad wees ook verzoeken om wraking af en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de klacht over rechterlijke onpartijdigheid faalt.

Uitspraak

Nr. 07/11077
5 maart 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 juli 2007, nr. 06/00465, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem.
Dit hof heeft het beroep ongegrond verklaard.
2. Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 15 december 2006, nr. 42506, LJN AZ4418, BNB 2007/111, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Naar aanleiding van de conclusie van dupliek heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daartoe biedt de wet evenwel niet de mogelijkheid. De Hoge Raad slaat op dat stuk daarom geen acht.
Belanghebbende heeft daarenboven meerdere verzoeken om wraking ingediend.
Bij beslissing van de Hoge Raad van 12 februari 2010 zijn deze verzoeken deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen. Voorts heeft de Hoge Raad in zijn beslissing bepaald dat verdere verzoeken om wraking in de onderhavige zaak niet in behandeling worden genomen.
4. Beoordeling van de klachten
4.1. Belanghebbende klaagt - onder verwijzing naar het gestelde in een publicatie van F. Jensma in NRC Handelsblad van 16 januari 2009 - erover dat bij mr. G.D. van Norden, die als raadsheer heeft deelgenomen aan de vaststelling van de bestreden uitspraak, geen sprake is geweest van rechterlijke onpartijdigheid.
Hetgeen in het hiervoor vermelde krantenartikel is gesteld, levert niet een aanwijzing op dat het optreden van mr. G.D. van Norden in de onderhavige zaak niet voldoet aan de eis van rechterlijke onpartijdigheid waardoor een gebrek zou kleven aan de uitspraak van het Hof. De klacht faalt derhalve.
4.2. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2010.