ECLI:NL:HR:2010:BK6956

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00879 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 103.2 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beslag en eigendom auto bij klaagschrift op grond van art. 94a Sv

In deze zaak stond centraal de vraag of de klaagster als derde eigenaar kon worden aangemerkt van een personenauto waarop conservatoir beslag was gelegd op grond van art. 94a Sv. De rechtbank had het klaagschrift van de klaagster ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat het niet onaannemelijk was dat de auto feitelijk eigendom was van de echtgenoot van de klaagster, die tevens beslagene was, en dat de auto op naam van de klaagster was gezet om de werkelijke eigendom te verhullen.

De Hoge Raad corrigeerde een weggelaten regel in de beschikking en bevestigde dat de rechtbank de juiste maatstaf had toegepast door te toetsen of buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat de klaagster als eigenaar moest worden aangemerkt. De rechtbank had dit oordeel voldoende gemotiveerd.

Daarnaast behandelde de Hoge Raad het verweer dat het beslag nietig zou zijn wegens niet-betekening van de machtiging van de Rechter-Commissaris aan de klaagster conform art. 103.2 Sv. De Hoge Raad verwierp dit verweer omdat de wet nietigheid niet aan deze niet-naleving verbindt en er geen bijzondere omstandigheden waren die anders zouden rechtvaardigen.

Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en bleef het beslag gehandhaafd, waarbij de zaak werd verwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling van het klaagschrift.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en het beslag op de auto bleef gehandhaafd.

Uitspraak

9 februari 2010
Strafkamer
Nr. 08/00879 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 7 februari 2008, nummer RK 07/4749, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[Klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. C.F. van Drumpt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank geen blijk heeft gegeven op juiste wijze te hebben beoordeeld of de klaagster aangemerkt dient te worden als eigenares van de auto en/of heeft verzuimd na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden die art. 94a Sv stelt aan conservatoir beslag onder een ander.
2.2. Blijkens de bestreden beschikking heeft de Rechtbank vastgesteld dat op 1 augustus 2007 onder [betrokkene 2], de echtgenoot van de klaagster, op grond van art. 94a Sv beslag is gelegd op een auto, te weten een Volkswagen voorzien van het kenteken [AA-00-BB], zulks tot bewaring van het recht van verhaal van een aan [betrokkene 1] op te leggen maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.3. De klaagster heeft in haar op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift verzocht om de teruggave van de auto aan haar, daartoe stellende dat zij eigenares is van de auto.
2.4.1. De Rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt dienaangaande het volgende in:
"Standpunten
De advocaat van klaagster (...). Voorts zijn er haars inziens onvoldoende aanwijzingen dat klaagster te kwader trouw is. Klaagster is geen verdachte in deze zaak. De personenauto staat op haar naam en zij is de rechtmatige eigenaar.
De officier van justitie persisteert bij het standpunt dat het dossier voldoende aanwijzingen biedt dat de verdachte [betrokkene 1] de auto heeft gekocht voor [betrokkene 2] en op naam heeft gesteld van klaagster om zodoende de feitelijke eigendom van de personenauto af te schermen.
(...)
Beoordeling
De rechtbank overweegt het volgende.
(...)
Klaagster stelt de rechtmatige eigenaar van de personenauto te zijn. De auto staat op naam van klaagster. Klaagster is de echtgenote van beslagene [betrokkene 2].
De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op de stukken in het dossier het vooralsnog niet onaannemelijk is dat [betrokkene 1] de onderhavige personenauto heeft gekocht, deze aan [betrokkene 2]
werkelijke eigendom van de auto af te schermen. De enkele verklaring van de verkoopster [betrokkene 3] acht de rechtbank onvoldoende om dit te weerleggen.
(...)."
2.4.2. In de bestreden beschikking is - ook volgens het middel - tussen "[betrokkene 2]" en "werkelijke eigendom" onmiskenbaar een regel weggevallen. Gelet op de overige inhoud van de beschikking, in onderling verband en samenhang bezien, leest de Hoge Raad haar, voor zover hier van belang, als volgt:
"De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op de stukken in het dossier het vooralsnog niet onaannemelijk is dat [betrokkene 1] de onderhavige personenauto heeft gekocht, deze aan [betrokkene 2] in gebruik heeft gegeven en op naam van klaagster heeft laten zetten, om zodoende de werkelijke eigendom van de auto af te schermen."
2.5. In het geval dat een derde/niet-beslagene zich keert tegen een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag en stelt dat hij eigenaar is van het inbeslaggenomen voorwerp, dient de rechter die over het beklag heeft te oordelen na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt (vgl. HR 31 maart 1998, LJN ZD1166, NJ 1998, 575).
Door te overwegen zoals hiervoor is weergegeven heeft de Rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat dat geval zich hier niet voordoet. De Rechtbank heeft dus de juiste maatstaf toegepast. Haar oordeel is toereikend gemotiveerd.
2.6. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank heeft verzuimd te beslissen op het beroep op de nietigheid van het beslag op de grond dat de machtiging van de Rechter-Commissaris tot het leggen van het beslag niet aan de klaagster is betekend.
3.2. Verweer en middel steunen op de opvatting dat niet-naleving van het voorschrift van art. 103, tweede lid, Sv tot nietigheid leidt. Die opvatting is echter onjuist, in aanmerking genomen dat de wet de niet-naleving van genoemd voorschrift niet met nietigheid bedreigt en dat de stelling dat niet-naleving van die bepaling desniettegenstaande nietigheid ten gevolge dient te hebben, in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht (vgl. HR 28 november 1995, LJN ZD0303, DD 96.122). Omstandigheden op grond waarvan in het onderhavige geval anders zou moeten worden geoordeeld, zijn blijkens de processen-verbaal van de behandeling in raadkamer en de aldaar overgelegde pleitaantekeningen niet aangevoerd.
3.3. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2010.