ECLI:NL:HR:2008:BF3193

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00490/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste toepassing redelijke termijn in strafzaak

In deze cassatieprocedure heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 25 september 2006 vernietigd. Het hof had ten onrechte de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, verbonden aan niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid.

De Advocaat-Generaal bij het Hof had geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe berechting en afdoening. De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het arrest, waarbij de zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam of een aangrenzend hof.

De beslissing is genomen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen. Het arrest bevestigt het belang van correcte toepassing van het redelijke termijnbeginsel en sluit niet-ontvankelijkheid als sanctie uit bij overschrijding daarvan.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van het redelijke termijnbeginsel en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

16 december 2008
Strafkamer
Nr. 00490/07 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 september 2006,
nummer 23/003006-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof aan de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM ten onrechte het gevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging heeft verbonden, althans dat het Hof die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Het middel doet daarbij een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000, 721.
2.2. Het middel is terecht voorgesteld. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358 en HR 9 december 2008, LJN BF3196).
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 16 december 2008.