ECLI:NL:HR:2008:BF3193
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onjuiste toepassing redelijke termijn in strafzaak
In deze cassatieprocedure heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 25 september 2006 vernietigd. Het hof had ten onrechte de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, verbonden aan niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid.
De Advocaat-Generaal bij het Hof had geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe berechting en afdoening. De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het arrest, waarbij de zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam of een aangrenzend hof.
De beslissing is genomen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen. Het arrest bevestigt het belang van correcte toepassing van het redelijke termijnbeginsel en sluit niet-ontvankelijkheid als sanctie uit bij overschrijding daarvan.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van het redelijke termijnbeginsel en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.