ECLI:NL:HR:2008:BC2339
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en aftrek voorarrest bij strafoplegging
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van belastingfraude en valsheid in geschrift. De Hoge Raad beoordeelt twee hoofdpunten: de overschrijding van de redelijke termijn en de aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
Het hof had geoordeeld dat de redelijke termijn niet was overschreden, mede omdat het tijdsverloop na terugwijzing door de Hoge Raad was meegewogen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het middel dat het hof alleen had moeten letten op het tijdsverloop na de terugwijzing feitelijke grond mist.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat het hof ten onrechte geen aftrek heeft toegepast voor de dagen dat de verdachte in verzekering was gesteld, zoals voorgeschreven in art. 27 Sr Pro. De Hoge Raad corrigeert dit door de maatstaf van twee uur aftrek per dag in verzekeringstelling toe te passen.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het de strafoplegging betreft en vermindert de straf conform de gebruikelijke maatstaf, waarbij de voorlopige hechtenis in aftrek wordt gebracht. De zaak wordt niet verder vernietigd en het openbaar ministerie blijft ontvankelijk.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de redelijke termijn en correcte toepassing van aftrek van voorarrest bij strafoplegging.
Uitkomst: De straf wordt verminderd met aftrek van de voorlopige hechtenis volgens de maatstaf van twee uur per dag inverzekeringstelling.