ECLI:NL:HR:2007:BB3036
Hoge Raad
- Cassatie
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- W.D.H. Asser
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maximale geldigheidsduur machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis
De officier van justitie verzocht de rechtbank Rotterdam om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te verlenen. De rechtbank verleende deze machtiging voor een periode van vijf jaar, gebaseerd op een analoge toepassing van art. 17 lid 4 Wet Pro Bopz, omdat betrokkene verblijft op een psycho-geriatrische afdeling zonder uitzicht op herstel.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte art. 17 lid 4 Wet Pro Bopz analoog heeft toegepast op een machtiging tot voortgezet verblijf. Dit is niet verenigbaar met het gesloten stelsel van de Wet Bopz, de Grondwet en het EVRM. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank.
De Hoge Raad stelt zelf de maximale geldigheidsduur vast op twee jaar, zoals bepaald in art. 19 Wet Pro Bopz, en verleent de machtiging tot voortgezet verblijf tot uiterlijk 12 april 2009. De zaak wordt daarmee afgedaan door de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt de geldigheidsduur van de machtiging tot voortgezet verblijf vast op twee jaar.