ECLI:NL:HR:2007:BB1467

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
576
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16d CSVArt. 6 lid 1 letter k CSVArt. 18c CSV
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van CSV ondanks onkostenvergoeding

Belanghebbende werd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde premies sociale werknemersverzekeringswetten over de periode van maart tot juli 1994. Het Lisv baseerde dit op artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd afgewezen. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de Rechtbank Arnhem, dat ongegrond werd verklaard. Het hoger beroep bij de Centrale Raad bevestigde deze uitspraak.

Belanghebbende stelde in cassatie dat in het loon van haar Poolse werknemers een onkostenvergoeding was begrepen die als onbelaste vergoeding volgens artikel 6, lid 1, letter k, CSV moest worden aangemerkt, waardoor het aanslagbedrag onjuist zou zijn. De Hoge Raad overwoog dat een vergoeding die strekt ter bestrijding van kosten alleen als zodanig kan worden aangemerkt indien deze afzonderlijk is vastgesteld. In deze zaak was dat niet het geval. Het oordeel van de Centrale Raad dat geen afzonderlijk vastgestelde onkostenvergoeding bestond, is een feitelijke beoordeling die in cassatie niet kan worden getoetst.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Daarmee blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid van belanghebbende voor de premies onverminderd van kracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de hoofdelijke aansprakelijkheid blijft bevestigd.

Uitspraak

Nr. 576
10 augustus 2007
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 augustus 2005, nr. 03/3157 CSV, betreffende na te melden besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid van belanghebbende op de voet van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: de CSV).
1. Besluit, bezwaar en geding voor de Rechtbank
Bij besluit van 21 juli 2000 heeft het Lisv op de voet van artikel 16d van de CSV belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door Coöperatie A U.A. (hierna: A) over de periode 11 maart 1994 tot 29 juli 1994 verschuldigde premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten tot een bedrag van f 736.658,64 (€ 334.281,12).
Het Lisv heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
2. Geding voor de Centrale Raad
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.
De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
3. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Partijen hebben de zaak doen toelichten, belanghebbende door mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtsopvolger van het Lisv door mr. G.B. Suurmond, advocaat te Amsterdam.
4. Beoordeling van het middel
4.1. Belanghebbende herhaalt in cassatie haar voor de Centrale Raad opgeworpen stelling dat het bedrag van de aansprakelijkstelling niet juist is, aangezien in het daaraan ten grondslag liggende door A aan haar Poolse werknemers uitbetaalde loon een onkostenvergoeding voor reis- en verblijfkosten is begrepen die moet worden aangemerkt als een onbelaste vergoeding in de zin van artikel 6, lid 1, letter k, van de CSV.
4.2. Deze stelling berust kennelijk op de opvatting dat reeds van een vergoeding strekkende tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking in voormelde zin sprake is indien een overeengekomen beloning mede is afgestemd op te maken kosten. Die opvatting kan evenwel niet als juist worden aanvaard, omdat voor een vergoeding als hiervoor bedoeld onder meer is vereist dat zij afzonderlijk is vastgesteld (vgl. HR 13 april 1994, nr. 29424, BNB 1994/318 en HR 19 februari 1992, nr. 31875, BNB 1997/123). Het middel faalt in zoverre.
Het oordeel van de Centrale Raad dat in het onderhavige geval niet is gebleken van afzonderlijk vastgestelde kostenvergoedingen, kan als van feitelijke aard ingevolge artikel 18c van de CSV, zoals geldend ten tijde van de bestreden uitspraak, in cassatie niet worden onderzocht. Het middel kan derhalve ook voor het overige niet tot cassatie leiden.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht
geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2007.