ECLI:NL:HR:2007:BB1466

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
575
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 letter k CSVArt. 16d CSVArt. 18c CSV
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van Coördinatiewet Sociale Verzekering

Belanghebbende werd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor premies die Coöperatie A U.A. verschuldigd was over de periode van maart tot juli 1994. Het Lisv verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Arnhem. Deze verklaarde het beroep ongegrond, wat door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd.

In cassatie stelde belanghebbende dat een onkostenvergoeding voor reis- en verblijfkosten onderdeel was van het loon en onbelast moest worden aangemerkt volgens artikel 6, lid 1, letter k, CSV. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke vergoeding slechts als onbelast kan gelden indien deze afzonderlijk is vastgesteld, wat in deze zaak niet het geval was.

De Hoge Raad stelde vast dat het oordeel van de Centrale Raad dat geen afzonderlijk vastgestelde kostenvergoedingen waren aangetoond, een feitelijke beoordeling betrof die in cassatie niet kan worden getoetst. Daarom werd het cassatieberoep ongegrond verklaard. De Hoge Raad wees tevens proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de hoofdelijke aansprakelijkheid blijft in stand.

Uitspraak

Nr. 575
10 augustus 2007
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 augustus 2005, nr. 03/1374 CSV, betreffende na te melden besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid van belanghebbende op de voet van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: de CSV).
1. Besluit, bezwaar en geding voor de Rechtbank
Bij besluit van 25 juni 2001 heeft het Lisv op de voet van artikel 16d van de CSV belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door Coöperatie A U.A. (hierna: A) over de periode 11 maart 1994 tot 29 juli 1994 verschuldigde premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten tot een bedrag van f 736.658,64 (€ 334.281,12).
Het Lisv heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
2. Geding voor de Centrale Raad
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.
De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
3. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Partijen hebben de zaak doen toelichten, belanghebbende door mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtsopvolger van het Lisv door mr. G.B. Suurmond, advocaat te Amsterdam.
4. Beoordeling van het middel
4.1. Belanghebbende herhaalt in cassatie zijn voor de Centrale Raad opgeworpen stelling dat het bedrag van de aansprakelijkstelling niet juist is, aangezien in het daaraan ten grondslag liggende door A aan haar Poolse werknemers uitbetaalde loon een onkostenvergoeding voor reis- en verblijfkosten is begrepen die moet worden aangemerkt als een onbelaste vergoeding in de zin van artikel 6, lid 1, letter k, van de CSV.
4.2. Deze stelling berust kennelijk op de opvatting dat reeds van een vergoeding strekkende tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking in voormelde zin sprake is indien een overeengekomen beloning mede is afgestemd op te maken kosten. Die opvatting kan evenwel niet als juist worden aanvaard, omdat voor een vergoeding als hiervoor bedoeld onder meer is vereist dat zij afzonderlijk is vastgesteld (vgl. HR 13 april 1994, nr. 29424, BNB 1994/318 en HR 19 februari 1992, nr. 31875, BNB 1997/123). Het middel faalt in zoverre.
Het oordeel van de Centrale Raad dat in het onderhavige geval niet is gebleken van afzonderlijk vastgestelde kostenvergoedingen, kan als van feitelijke aard ingevolge artikel 18c van de CSV, zoals geldend ten tijde van de bestreden uitspraak, in cassatie niet worden onderzocht. Het middel kan derhalve ook voor het overige niet tot cassatie leiden.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2007.