ECLI:NL:HR:2007:BA5315
Hoge Raad
- Cassatie
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Afwijzing loonvordering werknemer wegens betwisting ziekte door werkgever
Een werknemer trad op 18 september 2002 in dienst als internationaal chauffeur en meldde zich op 26 of 27 november 2002 ziek. De werkgever stopte daarop met het betalen van loon. De werknemer vorderde doorbetaling van loon vanaf december 2002 tot rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
De werkgever betwistte de ziekte van de werknemer ondubbelzinnig in de procedure. De kantonrechter wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof overwoog dat de werknemer geen deskundigenverklaring had overgelegd zoals vereist volgens artikel 7:629a lid 1 BW, en dat de uitzonderingen van lid 2 niet van toepassing waren omdat de ziekte wel degelijk werd betwist.
De werknemer stelde in cassatie dat de betwisting van de ziekte door de werkgever te laat (tardief) was gedaan en dat de brief van 27 november 2002 de indruk wekte dat de ziekte niet werd betwist. De Hoge Raad verwierp deze klachten, oordeelde dat betwisting tijdens de procedure niet tardief is en dat de uitleg van de brief door het hof niet onbegrijpelijk was. De Hoge Raad bevestigde dat de werknemer geen omstandigheden had gesteld die het redelijk maakten om geen deskundigenverklaring te overleggen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de werknemer in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen wegens tijdige betwisting van ziekte door de werkgever en het ontbreken van een deskundigenverklaring.